De ontdekking van de hemel

Gelezen op

Harry Mulisch
De Bezige Bij, 2002, 927 blz.

Harry Mulisch en De ontdekking van de hemel. Onlangs nog in Humo vond Bart Van Den Bossche het een boek “om van begin tot einde omver van te vallen”.

Omver van de verveling, ja. En van de ergernis. Het enige voordeel dat het boek heeft, is dat het snel uitgelezen is. Maar mocht die stapel papier veroorzaakt zijn door een andere schrijver dan Mulisch in een ander taalgebied dat het onze, er zou niets meer van overblijven.

Gekunsteld, hoogdravend, houterig, breedsprakerig, betweterig, Magnum Opus my ass. De arrogantie van Mulisch (“kijk eens hoe veel ik weet! zie eens hoe handig ik een filosofische roman met een psychologische roman met een sleutelroman met een avonturenroman verweef! 65 hoofdstukken–is het iemand al opgevallen dat ik dit jaar precies 65 ben?! lijk ik zo niet een beetje op Dante?”) druipt van elke pagina af. Officier in de Orde van Oranje-Nassau indeed. Zilveren Erepenning van de Stad Amsterdam, ’t is wat.

Het plot is achterlijk (lees gerust maar de samenvatting na), zelfs de onderdelen hebben een kinderachtige naam (“het begin van het begin”, “het einde van het begin”, “het begin van het einde” en –wait for it, wait for it– “het einde van het einde”).  De driehoek Onno/Ada/Max is ongeloofwaardig, het hele hoofdstuk Cuba is van een aan het onwaarschijnlijke grenzende saaiheid, deel twee (einde van het begin dus) is bij nader inzien compleet overbodig, wellicht was de situatie rond Ada in deel drie nuttig maar ik zou niet weten waarom, de jonge Quinten is een karikaturale non-persoon, de iets oudere Quinten een etter van een non-persoon, en de hele ontknoping leest als Umberto Eco maar dan in zeer dunne spoeling. En als men in het woordenboek naar une fin en queue de poisson gaat kijken, staat daar een hyperlink naar het einde van De ontdekking van de Hemel (het einde van “het einde van het einde”, als het ware, ha ha).

Om nog niet te spreken van de hele pseudo-wetenschappelijke klaptrap (Mulisch zou niet nalaten te vertellen dat dit een anglicisme is, dat het oorspronkelijke woord, claptrap, in 1799 voor het eerst gebruikt werd en zoveel betekent als “pretentieuze nonsens”): ontcijfering van het etruskisch! De discos van Phaistos! Quasars! DNA! Kijk eens hoe eclectisch mijn kennis!

Mulisch denkt zich duidelijk zowel thuis te voelen in gevoelens en persoonlijkheden als in wetenschap en filosofie, maar helaas: in het lichtere werk (het begin van “het begin van het begin”) klinkt alles gekunsteld en geforceerd, in de wetenschap laat hij steken vallen (met de discos van Phaistos als voorbeeld), in de grote ideeën is hij ondraaglijk hoogdravend, en op het einde van het boek weet de lezer niets meer over de personages dan in het begin.

Niet dat het die lezer dan nog wat kan schelen, want alvast mijn interesse was hij al lang voor het einde kwijt.

Afrader. Laten liggen.

Geef een reactie